Termen database

Controleconditie

Een belangrijk concept in experimenten van veel wetenschappelijke disciplines is de ‘controle’. Dit kan gaan over een ‘controlegroep’ proefpersonen, een ‘controleconditie’, of andere controles afhankelijk van onderzoeksmethode en het onderwerp.

In de kern dient de ‘controle’ altijd als vergelijkingsmateriaal. Neem als voorbeeld een experiment dat met fMRI wil bepalen welk gebied in het menselijk brein verantwoordelijk is voor de verwerking van visuele beweging.

In dit experiment zal de onderzoeker bewegende stipjes kunnen presenteren (de ‘beweging-stimuli’). De hersenactiviteit zal laten zien dat veel gebieden van het visuele systeem, zowel in het wat-pad en het waar-pad, actief worden door deze bewegings-stimuli. Echter, om te concluderen dat al deze gebieden betrokken zijn bij de verwerking van beweging is een ‘controle-conditie’ nodig, waarin ‘controle-stimuli’ worden aangeboden.

Hiervoor presenteert de onderzoeker aan de proefpersoon in de fMRI scanner plaatjes van stilstaande stipjes (controle-stimuli). Deze beelden lijken dus erg op de beweging-stimuli: het enige verschil tussen de beweging-stimuli en de controle-stimuli is de beweging van de stipjes. Door de hersenactiviteit tijdens het zien van bewegende stipjes (‘experimentele conditie’) te vergelijken met de hersenactiviteit tijdens het zien van stilstaande stipjes (‘controle-conditie’), komt het gebied in de hersenen naar voren dat betrokken is bij het verwerken van bewegings-informatie.

Deze methode, waarin de activiteit waar we ‘echt’ in geïnteresseerd zijn wordt vergeleken met de activiteit in een controle-conditie die er op lijkt, maar die het cruciale aspect (hier: visuele beweging) mist, heet de contrast-methode. Het vormt de basis van heel veel onderzoek met vrijwel alle onderzoeksmethoden (fMRI, EEG, gedragsmatig, etcetera). Omdat je in feite de activiteit in de controle-conditie ‘aftrekt’ van de activiteit in de bewegings-conditie, om zo enkel de echte ‘bewegings-activiteit’ over te houden, wordt dit ook wel de ‘subtraction method’ genoemd.

 

Controle-condities hebben niet per se controle-stimuli nodig. Bijvoorbeeld kan een onderzoeker geïnteresseerd zijn in het hersengebied dat betrokken is bij tellen. De proefpersoon kan tijdens een fMRI meting tot honderd tellen (experimentele conditie), of verscheidene andere taken uitvoeren zoals het alfabet opzeggen (controle conditie 1), steeds hetzelfde cijfer noemen (controle conditie 2), of helemaal niets doen (controle conditie 3).

 

Controle-groepen vind je bijvoorbeeld in experimenten die een vergelijking willen maken tussen twee typen proefpersonen. Bijvoorbeeld bejaarde mensen tegenover volwassenen, of depressieve patiënten tegenover gezonde mensen. Stel dat een onderzoeker wil weten of blinde mensen beter horen dan niet-blinde mensen. De hoor-taak zal hetzelfde zijn voor beide groepen, maar de prestaties van blinde proefpersonen (‘experimentele groep’) zullen vergeleken worden met de prestaties van de niet-blinden (‘controle-groep’).

Maar je vindt ook controle-groepen in experimenten waarin het gewoon lastig is om dezelfde mensen meerdere keren te meten. Bijvoorbeeld bij onderzoek naar een medicijn tegen depressie. Iedereen kent het fenomeen ‘placebo-effect’. Om echt te weten of een nieuw medicijn tegen depressie werkt deelt een onderzoeker een grote groep depressieve patiënten in twee groepen: een experimentele groep (die krijgen het nieuwe medicijn), en een controle-groep (die krijgen het nep-medicijn: de placebo). Het verschil tussen beide groepen zal uitsluitsel geven over hoe goed het medicijn werkt.

 

Auteur: Tom de Graaf
Please wait... loading