Het draait allemaal om de etiketten

Last update: december 19, 2022
l
Reading time: 4 minutes
l
By BrainMatters

In de huidige maatschappij hebben we de neiging om iedereen een etiket op te plakken, zodat we iemands gedrag kunnen rechtvaardigen. In de psychologie doen we hetzelfde; iemand kan worden bestempeld met ADHD, depressie of een burn-out, zodra je de juiste hoeveelheid vakjes aangevinkt hebt volgens het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders-V (DSM-V: de heilige graal voor psychologen en psychiaters om mensen te diagnosticeren met verschillende psychologische en psychiatrische stoornissen). Binnen het veld rijst echter twijfel of het gebruik van dit handboek volledig gerechtvaardigd is en of er geen potentieel betere manieren zijn om deze stoornissen te diagnosticeren. Momenteel behandelt de DSM-V elke psychologische of psychiatrische stoornis als een dichotome ziekte, wat betekent dat je het etiket krijgt of niet. Maar in werkelijkheid is het niet zo zwart-wit. Belangrijk is dat we in dit artikel niet proberen te pleiten voor één oplossing, maar dat we jullie een beknopt overzicht willen geven van mogelijke alternatieve ideeën die momenteel in de literatuur rondzwerven.

Neem bijvoorbeeld depressie, een veel voorkomende en ernstige stemmingsstoornis. De DSM-V schetst de volgende criteria om iemand de diagnose depressie te geven. Wie de diagnose depressie krijgt, heeft vijf of meer symptomen (bv. depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag; verminderde belangstelling of plezier in (bijna) alle activiteiten gedurende het grootste deel van de dag enz). Stel dat twee verschillende mensen allebei een depressieve stemming ervaren; maar slechts één van hen voldoet aan de criteria om de diagnose "depressie" te krijgen volgens de DSM-V. De ander ervaart bijna exact dezelfde symptomen (misschien zelfs in ernstiger mate), maar komt slechts in aanmerking voor vier van de vereiste vijf symptomen. Deze cut-off van vijf symptomen leidt ertoe dat slechts één van hen de diagnose krijgt, ook al heeft de tweede persoon er misschien meer last van. Dit is een probleem met de DSM-V. We kruisen vakjes aan om een diagnose te stellen, terwijl de ernst van de symptomen meestal wordt verwaarloosd.

Wat we bij dit type aanpak vergeten, is dat een diagnose volgens de DSM-V heel breed is en veel verschillende dingen kan betekenen. Als we depressie als voorbeeld nemen, bevat de lijst met 5 symptomen in totaal 9 symptomen. Een studie vond 1030 unieke symptoom profielen voor depressie; dat betekent dat de ene persoon met een depressie een heel andere reeks symptomen kan hebben dan een andere persoon met dezelfde diagnose. Bovendien kwam het meest voorkomende symptoom profiel slechts in 1,8% van de gevallen voor. Hierdoor vormen mensen met de diagnose depressie volgens de DSM-V een zeer gemengde groep patiënten. Wat zegt zo’n diagnose dan eigenlijk nog?

De laatste 10 jaar is de belangstelling voor onderzoek gewekt door technieken als (f)MRI of genetische technieken toe te passen om te proberen de biologische basis van psychische stoornissen te ontrafelen om de behandeling ervan te verbeteren. Het idee was dat als we inzicht konden krijgen in hoe het gezonde brein werkt en hoe het bij deze stoornissen verstoord kan raken, we de stoornis vanuit een continu perspectief kunnen bekijken. Dit betekent dat bij depressie bijvoorbeeld biologische factoren (zoals het hebben van bepaalde risicogenen of het hebben van een abnormale hersenactiviteit in een bepaald hersengebied de kans dat je een depressie ontwikkelt kunnen vergroten). Omdat deze biologische factoren niet dichotoom zijn, maar continu (bv. de hoeveelheid risicogenen die je hebt), zou dit resulteren in een nauwkeuriger continu risicoprofiel, waarbij al deze risicofactoren opgeteld ertoe leiden dat sommige mensen de drempel voor het krijgen van de diagnose passeren en andere niet.

Het is echter belangrijk erop te wijzen dat dit onderzoek naar een biologisch risicoprofiel is gedaan op groepsniveau. Dit betekent dat bijvoorbeeld 20 depressieve patiënten en 20 gezonde deelnemers worden vergeleken qua hersenactiviteit of genetisch profiel. Dan zien we inderdaad verschillen, maar op dit moment zijn deze technieken niet verfijnd genoeg om de diagnose depressie bij één individu te kunnen stellen.

Een andere oplossing die in de huidige literatuur wordt voorgesteld is daarom niet te focussen op diagnoses, maar te kijken naar de individuele symptomen op een continuüm. Dit wordt de netwerktheorie van geestelijke gezondheid genoemd. Dit zou een veel nauwkeuriger en preciezer beeld van de problemen kunnen geven dan een brede diagnose zoals depressie, die veel verschillende dingen kan betekenen. Op deze manier zou de patiënt zich meer kunnen herkennen in een dergelijk profiel, in vergelijking met alleen het etiket depressie. 

Kortom, tot nu toe is de DSM-V nog steeds de heilige graal als het gaat om het diagnosticeren van verschillende psychologische en psychiatrische stoornissen, maar mogelijke verbeteringen en alternatieve ideeën worden door deskundigen voorgesteld!

Auteur: Joyce Burger

Afbeelding: Joyce Burger

Referenties:

  • D Adam. (n.d.). On the spectrum. Nature, Vol. 496.
  • Eli Vakil. (n.d.). Neuropsychological assessment: Principles, rationale, and challenges. Journal of Clinical and Experimental Neuropsychology, Vol. 34. https://doi.org/10.1080/13803395.2011.623121
  • Fried, E. I., & Nesse, R. M. (2015). Depression is not a consistent syndrome: an investigation of unique symptom patterns in the STAR* D study. Journal of affective disorders, 172, 96-102.
  • Hans-Jürgen Möller. (n.d.). The consequences of DSM-5 for psychiatric diagnosis and psychopharmacotherapy. International Journal of Psychiatry in Clinical Practice, Vol. 18. https://doi.org/10.3109/13651501.2014.890228
  • Louise C Johns , & Jim van Os. (n.d.). THE CONTINUITY OF PSYCHOTIC EXPERIENCES IN THE GENERAL POPULATION. Clinical Psychology Review, Vol. 21. https://doi.org/10.1016/S0272-7358(01)00103-9
  • Saskia de Leede-Smith , & Emma Barkus. (n.d.). A comprehensive review of auditory verbal hallucinations: lifetime prevalence, correlates and mechanisms in healthy and clinical individuals. Frontiers in Human Neuroscience, Vol. 7. https://doi.org/10.3389/fnhum.2013.00367
  • S E Hyman. (n.d.). Can neuroscience be integrated into the DSM-V? Nature reviews, neuroscience, (Vol. 8). Vol. 8.
  • Stephen M. Lawrie , Jeremy Hall , Andrew M. McIntosh , David G. C. Owens , & Eve C. Johnstone. (n.d.). The ‘continuum of psychosis’: scientifically unproven and clinically impractical. British Journal of Psychiatry, Vol. 197. https://doi.org/10.1192/bjp.bp.109.072827
  • Richard J. Linscott , & Jim van Os. (n.d.). Systematic Reviews of Categorical Versus Continuum Models in Psychosis: Evidence for Discontinuous Subpopulations Underlying a Psychometric Continuum. Implications for DSM-V, DSM-VI, and DSM-VII. Annual Review of Clinical Psychology, Vol. 6.
Related Posts
Check onze database
Alles wat je wilt weten over het brein op één plek. 
DATABASE
Related posts:
Here you will write about your company, a tittle description with a maximum of 2 sentences
Copyright © 2022 Brainmatters
magnifiercrossarrow-downarrow-leftarrow-rightmenu-circle